10-09-10

10 settembre: San Nicola di Tolentino

(Na de tekst in het Italiaans volgt er een samenvatting in het Nederlands)

 

Oggi è venerdì 10 Settembre 2010 e il calendario indica come santo del giorno San Nicola di Tolentino, l’occasione giusta per saperne di più di questo Marchigiano. Sempre su Internet, enciclopedia mondiale ed inestinguibile ho trovato ciò che segue. Per chi è originario di Macerata un viaggio nel tempo e nella loro provincia.

Troverete anche un legame con la Giornata Mondiale delle Marche.

SAN NICOLA DI TOLENTINO.jpgSan Nicola di Tolentino in un ritratto del Perugino

  

Nicola da Tolentino, al secolo Nicola di Compagnone, nacque nel 1245 a Castel Sant'Angelo (oggi Sant'Angelo in Pontano), un comune in provincia di Macerata. I suoi genitori, i cui nomi potrebbero essere Compagnono de Guarutti e Amata de Guidiani (ma i cognomi potrebbero semplicemente indicare i loro luoghi di nascita), erano gente pia.

La leggenda della sua vita rappresentata da un ignoto pittore giottesco detto Maestro della Cappella di San Nicola, narra come i suoi genitori, ormai anziani, si fossero recati a Bari, su consiglio di un angelo, in pellegrinaggio alla tomba di San Nicola di Mira, o di Bari, per avere la grazia di un figlio. Ritornati a Castel Sant'Angelo ebbero il figlio desiderato e, ritenendo di aver ricevuto la grazia richiesta, lo chiamarono Nicola. 

Il giovane Nicola entrò nell'Ordine degli Eremitani di Sant'Agostino. Si distinse a tal punto nei suoi studi che, prima che essi fossero compiuti, venne fatto canonico della chiesa di San Salvatore. Ascoltando una predica di un eremita agostiniano sulla frase latina «Nolite diligere mundum, nec ea quae sunt in mundo, quia mundus transit et concupiscenzia ejus»  (non amate il mondo, né le cose che sono del mondo, perché il mondo passa e passa la sua concupiscenza), avvertì la chiamata alla vita religiosa. Implorò allora l'eremita di ammetterlo nel proprio ordine, e i suoi genitori acconsentirono con gioia. Già prima della sua ordinazione venne mandato in diversi monasteri dell'ordine: San Ginesio, Recanati, Macerata ed altri; i biografi mettono in evidenza che fu un modello di generoso impegno verso la perfezione.

Fece la sua professione religiosa (voti solenni) a meno di diciannove anni e nel 1269 fu ordinato sacerdote. Dopo la sua ordinazione, predicò soprattutto a Tolentino, dove fu trasferito intorno al 1275. Trascorse gli ultimi 30 anni della sua vita, predicando quasi ogni giorno. Sebbene negli ultimi anni la malattia mise alla prova la sua sopportazione, continuò le sue mortificazioni quasi fino al momento della morte.

I devoti ne ricordano la mitezza, l'ingenua semplicità e la dedizione per la verginità, che non tradì mai, custodendola con la preghiera e la mortificazione.

Nel convento di Sant'Agostino di Tolentino rimase fino alla sua morte avvenuta il 10 settembre 1305.

 Il processo di canonizzazione iniziò nel 1325 sotto Pp Giovanni XXII (Jacques Duèse), ma si concluse soltanto nel 1446, per le vicende della Chiesa (Avignone, scisma d'Occidente), sotto Pp Eugenio IV (Gabriele Condulmer). Tuttavia già fin dalla metà del '300 veniva raffigurato con l'aureola.

È considerato un santo mariano poiché sostenne di avere la visione degli angeli che trasportavano la Santa Casa di Loreto nella città marchigiana il 10 dicembre del 1294.La sua protezione è invocata dai devoti per gli appestati, i naufraghi e i carcerati, ma in particolare per le anime del Purgatorio.

S. Nicola fu anche un famoso esorcista, uno dei pannelli della sua vita, affrescati nel Cappellone di Tolentino, mostra proprio Nicola che libera una donna indemoniata; questa sua facoltà rimase integra anche dopo la sua morte, visto che numerosi ex voto lo indicano come guaritore di indemoniati; la devozione al santo iniziò appena dopo la sua morte.
Molteplici sono i racconti entrati a far parte della tradizione dei luoghi della giovinezza di San Nicola, in particolare nel paese natale in cui tutt'oggi è radicata una forte devozione.
 

       Si racconta che, nel tragitto da Castel Sant'Angelo a Tolentino, trovandosi a passare nella città di San Ginesio, imponendo le mani impedì il crollo di una parte della cinta muraria, che ancora oggi si conserva integra.  

      Sempre durante un tragitto verso il monastero, trovandosi in ritardo, impose le mani per fermare il sole fino a quando non fosse arrivato a destinazione (in modo simile a quanto accadde a Giosuè).  

      Il ponte del diavolo di Tolentino è chiamato così in ricordo della leggenda secondo cui il diavolo stipulò un patto con San Nicola, dicendogli che avrebbe costruito un ponte in una sola notte in cambio dell'anima del primo essere vivente che lo avesse attraversato. Il santo accettò il patto e, a costruzione ultimata, benedisse il ponte. Poi, attese che si avvicinasse un cane e gettò del cibo in terra dall'altra parte del ponte, costringendo l'animale ad attraversarlo. Il diavolo, accecato d'ira, tentò invano di distruggere a forza di cornate il ponte, ormai benedetto. 

Significato del nome Nicola : “vincitore tra il popolo” (greco)

Vrijdag 10 september H. Nicolaas van Tolentijn, priestermonnik (gedachtenis), Heilige van de dag

Hoe vaak hoor je niet dat mensen kinderen nemen. Het krijgen van kinderen is niet zo vanzelfsprekend, dat is nu zo en dat was vroeger zo. Bij het bestuderen van heiligenlevens stuit je geregeld op ouders die kinderloos dreigen te blijven en ten einde raad hun toevlucht zoeken bij de hemel.

Compagnonus Guarutti en Amata de Guidiani woonden in het Italiaanse dorpje Sant Sangelo en leefden reeds een lang en gelukkig huwelijk. Zij wilden zo graag een nakomeling, maar ondanks hun bestormingen van de hemel kwam er maar geen kindje. En zo werden Compagnonus en Amata ouder en ouder.

Eigenlijk had Amata de hoop al opgegeven toen ze tegen beter weten in haar toevlucht nam tot de heilige Nicolaas van Bari. De patroon van de zeevaarders en bij ons ook wel de kindervriend genoemd, liet haar gebed niet verloren gaan. En een klein jaar later bracht Amata een zoon ter wereld en zij noemde hem naar haar voorspreker: Nicolaas.

Amata wil dat haar zoon een goede godsdienstige opvoeding krijgt en stuurt hem reeds jong naar de parochiepriester die hem lezen, rekenen en schrijven leert. De kleine Nicolaas is vroom en leergierig. Op jonge leeftijd mag hij allerlei klusjes doen in de kerk en bekleedt spoedig de nodige functies.

Maar dan hoort hij op een dag de augustijner monnik preken. De man maakt in zijn zwarte pij diepe indruk. En wanneer Nicolaas hem hoort zeggen: "Houd niet van de wereld, of van de dingen van deze wereld", neemt Nicolaas zijn besluit. Hij wil God dienen ver weg van de wereld als monnik in de orde van de heilige Augustinus. De jongen krijgt de zegen van zijn ouders en vertrekt 18 jaar oud.

In het klooster leeft hij als een heilige, is een voorbeeld van versterving, gebed en boete. Toch loopt het niet helemaal zoals hij het zelf graag zou willen. Hij wordt letterlijk getreiterd door de duivel. Het begint met het wegraken van allerlei noodzakelijke dingen. Bij tijden wordt de jonge monnik het leven onmogelijk gemaakt door een voortdurend geraas in zijn hoofd. Zekerheid maakt bij de arme Nicolaas plaats voor twijfel, wanneer hij zelfs geslagen wordt. Dient hij God wel genoeg, en zijn zijn verstervingen wel allemaal ter ere Gods. Na weer eens een periode van radeloosheid komt de Heer zelf hem geruststellen.

In 1276 wordt pater Nicolaas overgeplaatst naar het klooster in Tolentino, waar hij de laatste 30 jaar van zijn leven zal blijven. Zijn leven bestaat hier uit bidden, biechthoren en preken. In de tijd die hem rest, luistert hij naar de bezoekers die in stromen met hun problemen bij hem komen.

De duivel is hem echter niet vergeten. Nu plaagt hij de monnik met hevige koortsaanvallen die maar niet van wijken willen weten. Doodsbenauwd neemt Nicolaas weer zijn toevlucht tot de hemel, en tijdens de hevigste koortsaanval van al, verschijnen de moeder van de Heer en de heilige ordevader Augustinus hem. Maria draagt Nicolaas op een brood te laten halen dat hij gesopt in water moet nuttigen. Nicolaas gehoorzaamt en nog tijdens het eten wijkt de koorts.

De stroom bezoekers neemt nu alleen nog maar toe. Nog tijdens zijn leven ondervinden zij de kracht van zijn voorspraak en regent het verhoringen. Na zijn dood op 10 september 1305 nemen deze alleen maar toe.

Wanneer in 1345 - veertig jaar na Nicolaas' dood - de armen als relikwie van het lichaam worden verwijderd komen er volgens de overlevering tot 25 maal toe bloedvloeiingen uit.

Bij zijn heiligverklaring in 1447 noemt paus Eugenius IV hem de wonderdoener.

 

 

08:35 Gepost door Per il comitato in CULTURA | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.